Een baby die in het kraambed de borst weigert, zorgt voor veel onrust bij zowel ouders als zorgverleners. De moeder wordt vaak onzeker: zij had zich een andere start voorgesteld. De zorgverlener maakt zich zorgen over de gesteldheid van de baby. Vaak wordt er op verschillende manieren geprobeerd om de baby aan de borst te krijgen, zoals variatie in (hulp bij) aanleggen, vingervoeden, cupfeeding, bijvoeden met de fles, tepelhoedjes. Als het gewenste resultaat uitblijft, raken ouders gefrustreerd en willen daardoor soms zelfs helemaal stoppen met de borstvoeding.

Oorzaken van borstweigeren

Een probleem kan meestal pas worden opgelost als de oorzaak bekend is en weggenomen kan worden. Daarom is het belangrijk te achterhalen wat de oorzaak van het borstweigeren is en tot het inzicht te komen dat dit een probleem van tijdelijke aard is. Tijd, geduld en een positieve houding zijn de sleutels tot de oplossing.

Oorzaken van borstweigeren kunnen zijn:

- medicatie (pijnstillers, ruggenprik) tijdens de bevalling

- een langdurige bevalling en/of kunstverlossing (tang, vacuüm), een ingeleide bevalling

- orale aversie bij de pasgeborene door negatieve ervaringen in het mondgebied (kan ontstaan door uitzuigen, sonderen, etc.)

- uitstel van de eerste voedingen (niet meteen aanleggen)

- niet goed (helpen met) aanleggen (bijvoorbeeld duwen tegen het hoofdje)

- de baby heeft meer tijd nodig om goed te leren drinken (zuigverwarring ontstaat het makkelijkst bij deze baby’s)

- stuwing (is zowel oorzaak als gevolg van borstweigeren

- onoordeelkundig gebruik van tepelhoedjes

Onderschatting eerste uren

Het belang van de eerste uren na de geboorte wordt vaak onderschat. Vaak houdt men vast aan allerlei regels en protocollen en routinehandelingen zonder oog te hebben voor de individuele situatie van moeder en kind. Minder zelfverzekerde en geïnformeerde ouders en moeders die als gevolg van de (zware) bevalling vermoeid en emotioneel uitgepunt zijn, zijn zich op dat moment niet bewust van het grote belang van vaak aanleggen en een ongestoord contact tussen moeder en kind in de eerste uren. Aanleggen dient, ongeacht of de baby drinkt, bij voorkeur binnen een half uur na de geboorte te geschieden. Daarbij moet de baby in de gelegenheid worden gesteld om ZELF de borst te zoeken en te nemen.

Bij deze eerste kennismaking met de borst zullen niet alle baby’s meteen goed drinken, maar het tijdstip is cruciaal vanwege het inprentend effect. Later dan een uur na de geboorte aanleggen vormt, zeker in bovengenoemde situaties, een risico voor het op gang komen van de borstvoeding en het leerproces van de baby. Waar iedereen zal beamen dat met het eerste contact tussen een moederdier en haar jong niet mag verstoren omdat wel bekend is dat dit tot voedings- en andere problemen kan leiden, heeft vrijwel niemand er een probleem mee om het contact tussen een mensenkind en mensenmoeder te verstoren.

Onoordeelkundig bijvoeden

Als een baby de borst weigert, of ‘niets doet’ aan de borst, dan is men geneigd om op een of andere manier toch zo snel mogelijk voeding of vocht te geven. Er blijkt, vooral ook bij ouders een ongefundeerde angst te bestaan voor uitdrogen of voedingstekort. Men realiseert zich niet dat juist in de directe periode postpartum de omstandigheden voor het aanleren van drinken aan de borst het gunstigst zijn. De borsten zijn dan nog zacht en makkelijk te pakken, als de moeder niet gestresst is zal het colostrum ook toeschieten als de baby slechts een zwak zuigsignaal afgeeft. Tactiele stimulatie (het mondje raakt de tepelhof) kan al voldoende zijn om een kleine hoeveelheid colostrum af te scheiden. De colostrum productie op de eerste dag kan oplopen tot 125 ml. De melkproductie loopt, bij een goed borstvoedingbeleid, snel op en kan op dag 5 post partum al 500 ml zijn.

Bij vaak aanleggen op de eerste en de daaropvolgende dagen, ook al lijkt de baby ‘niks’ aan de borst te doen, zal alleen al door de spontane toeschietreflex, de baby toch steeds kleine hoeveelheden moedermelk binnen krijgen (5-10 ml per keer op dag een). Oefening baart kunst, dat is ook het geval bij borstvoeding. Door vaak aan te leggen (minimaal 8-12 keer per etmaal) leert de baby sneller hoe te drinken aan de borst. Bij het aanleggen dient men het nodige geduld in acht te nemen en de baby de kans te geven om ongestoord, zonder dwang en in zijn eigen tempo aan de slag te gaan. Helaas is het zo dat als de indruk bestaat dat de baby weigert te drinken, of niets aan de borst lijkt te doen, men snel (na 10-15 min.) ingrijpt en gaat bijvoeden.

Bijvoeden gebeurt steeds vaker op een andere manier dan met een fles en speen. Het feit dat daarvoor gevoelige baby’s zuigverwarring kunnen ontwikkelen als gevolg van (bij)voeden met een speen voordat zij hebben geleerd hoe effectief aan de borst te drinken, is inmiddels welbekend. De meest toegepaste methodes zijn vingervoeden en cupfeeding. Ouders raken soms van streek door deze alternatieve (bij)voedingsmethoden, zeker als beide methoden door elkaar of achter elkaar worden toegepast. Het voeden van hun kind lijkt door het gebruik van deze middelen vaak moeilijk en bijzonder. Het beste is om, indien nodig, te kiezen voor één methode. Cupfeeding verdient daarbij de voorkeur omdat vingervoeden door een onervaren iemand (en dat zijn ouders meestal hierbij) net zo goed kan leiden tot zuigverwarring.

Consistent beleid

Bij baby’s die borstweigeren in het kraambed, of moeite hebben met drinken, zal men op de eerste plaats aan ouders moeten uitleggen dat zij vaak moeten ‘oefenen’ door vaak de borst aan te bieden en de baby de tijd te gunnen om te leren. Veel huidcontact, knuffelen en spelenderwijs aanleggen, maken het voor de baby aantrekkelijker om over te gaan tot het in de mond nemen van de borst en te proberen om eraan te drinken. Dwang om de borst te nemen, fixatie op voldoende melkinname en te hoge verwachtingen van ouders maken het niet alleen voor hen, maar ook voor de baby moeilijker. De zorgverlener kan hierbij een bemoedigende en relativerende rol spelen. Daarnaast zal men ook moeten wijzen op het feit dat deze baby’s meer tijd nodig hebben dan andere, om het borstdrinken te leren en de melkproductie in stand te houden en op te voeren.

Afkolven vanaf het eerst moment waarop men een probleem constateert, kan een belangrijk bijdrage leveren aan het op gang brengen en in stand houden van de melkproductie. Dit betekent concreet dat als een baby niet binnen een uur na de geboorte wordt aangelegd en dat ook niet kort (een à twee uur) daarna gebeurt, men meteen zal moeten beginnen met afkolven. Hoe langer men voeden en afkolven uitstelt, hoe groter de kans op problemen zoals stuwing, onvoldoende melkproductie en vroegtijdig stoppen met borstvoeding.

Stuwing

Ernstige stuwing ontstaat als gevolg van  een inconsistent borstvoedingsbeleid in de eerste dagen. Dit probleem kan vrijwel altijd worden voorkomen. Er zijn baby’s die in de eerste dagen als de borsten nog zacht zijn, probleemloos drinken. Als gevolg van de stuwing wordt het drinken bemoeilijkt en lijken de baby’s de borst te weigeren of zijn ze gewoon niet in staat om er voldoende grip op te krijgen. Vaak aanleggen en, indien de baby niet goed drinkt, daarnaast vaak afkolven kan stuwing voorkomen. Vastzittende melk komt makkelijker naar buiten na toepassing van warmte op de borsten en als men met de hand afkolft. Het gebruik van tepelhoedjes bij gestuwde borsten is ongewenst. Als de borsten wat zachter zijn zal de baby net als voorheen, weer voldoende grip hebben om te drinken.

© Borstvoedingorganisatie La Leche League

Steun LLL Vlaanderen vandaag nog met een gift

Kom in actie!

LLL is een vrijwilligersorganisatie en zet zich in voor moeders die borstvoeding (willen) geven, zodat ze de steun krijgen die ze verdienen.
Ook jij kan daaraan meewerken door donateur te worden.
De kleinste gift is ook welkom op rekeningnummer
406-6060491-38.